
Aan de kust van de Portugese provincie Estremadura, op zo'n 25 kilometer van de hoofdstad Lissabon, ligt het kleine stadje Sintra. Sintra staat bekend om haar prachtige natuur en vele monumentale bouwwerken. Het stadje heeft ongeveer 25.000 inwoners en ligt op tweehonderd meter hoogte aan de voet van een noordelijke uitloper van de berg Serra de Sintra. Dit is een lange, smalle bergrug met graniettoppen die bijzonder rijk is aan vegetatie. Op zijn hoogste punt bereikt de berg een hoogte van wel 529 meter. Het uitzicht vanaf de hellingen en toppen is adembenemend en benadrukt het contrast tussen het romantische Sintra en de er omheen liggende, saaie vlakte nog eens extra. Doordat het stadje aan de noordzijde van de Serra de Sintra ligt en omringd wordt door hoge bomen, heeft het een uitzonderlijk mild klimaat.
Sintra bestaat eigenlijk uit drie delen. São Pedro de Sintra is het hoogst gelegen stadsdeel, Estefânia ligt wat lager en de oude stadskern van Sintra, Vila Velha, ligt het laagst. In het centrum van de stadskern ligt het Paço Real met daarvoor een groot plein. Dit plein vormt de basis van een netwerk van smalle en ongelijke straatjes waartussen allerlei kleinere pleintjes en fonteinen met bronwater liggen. Omdat Sintra op een helling is gebouwd, zijn er in veel van deze kleine straatjes trappen aangelegd. Het netwerk van straatjes wordt naar buiten toe steeds opener en men treft verder van het stadscentrum vandaan ook meer vegetatie aan.
Het landschap in en rondom Sintra wordt gedomineerd door enorme paleizen, kloosters en luxe herenhuizen. Deze gebouwen worden vaak omgeven door enorme parken en tuinen waarvan sommige al even excentriek en fantasierijk zijn geïnspireerd als de bouwwerken zelf. In de architectuur vindt men de vreemdste combinaties van stijlen terug, waarbij het Palácio da Pena zeker de kroon spant. Dit paleis is namelijk opgebouwd uit een combinatie van onder andere Moorse, Egyptische, gothische barokke en renaissancistische elementen.
In de tuinen en parken is deze gewaagde stijl terug te vinden in de combinatie van vreemde, uitheemse planten en bomen met de inheemse vegetatie. Ook plaatste men er tussen de begroeiing de meest vreemdsoortige bouwwerken, die een zuiver decoratieve waarde hebben. Zo wordt een fragiel maar harmonieus geheel gecreëerd van allerlei exotische en inheemse stijlen.
De verbinding tussen de zeldzame uitheemse plantensoorten, de bergachtige ligging van het gebied en de luxe vormgegeven en gedecoreerde gebouwen maken het landschap tot een waardevol stukje natuur. Deze compleet nieuwe stijl voor het vormgeven van romantische landschappen werd later een voorbeeld voor andere landen. Ook de romantische bouwstijl zou later nog een grote invloed hebben op de rest van Europa. In de negentiende eeuw was Sintra zelfs het eerste centrum van Europese romantische architectuur.
Het stadje heeft bovendien een lange en kleurrijke geschiedenis als koninklijk zomerverblijf en luxe vakantieoord voor rijken en kunstenaars. Deze geschiedenis is nog steeds duidelijk terug te vinden in het opvallende landschap. De natuur en architectuur in en rondom de stad zijn een vertegenwoordiging van een hele reeks verschillende en opeenvolgende culturen die allemaal in dit gebied voorkwamen.

Geschiedenis
De plaats waar tegenwoordig Sintra ligt, is al sinds onheuglijke tijden bewoond. In vroege grafvondsten zijn aanwijzingen gevonden dat er al in de prehistorie mensen leefden in dit gebied. Over de eerste volkeren die er geleefd hebben is echter nauwelijks iets bekend.
Tussen de eerste en de tweede eeuw voor Christus werd Sintra voor het eerst een stad. De Romeinen bouwden er een nederzetting die op grondgebied lag van de Romeinse stad Olisipo, het huidige Lissabon. De nieuwe stad werd door hen Promontorium Lunae gedoopt, wat zoveel betekent als "berg van de maan". Van de Romeinse bewoners zijn vandaag de dag bijna geen sporen meer terug te vinden.
In 713 veroverden de Moren onder leiding van Tarik ben Ziad de stad en vestigden zich in deze streek. Ze bouwden aan het eind van de achtste eeuw op 450 meter hoogte een grote burcht, waarvan nu alleen de ringmuur en een aantal torens zijn overgebleven. Lager op de berghelling, in het stadscentrum, zetten ze een paleis neer. Xentra, zoals de Moren de stad destijds noemden, was op Lissabon na het grootste stedelijke centrum.
De eerste Portugese koning, D. Afonso Henriques, slaagde er in 1147 uiteindelijk in om na drie mislukte pogingen van zijn voorgangers de Moorse burcht, en daarmee ook de stad, te heroveren zonder bloedvergieten. Dit was slechts een paar dagen nadat hij Lissabon weer had ingelijfd. Kort na de herovering liet D.Afonso Henriques een kerk bouwen in São Pedro, het hoogst gelegen deel van Sintra. Dit was het eerste Portugese christelijke bouwwerk in de stad. Zeven jaar na de herovering stichtte hij officieel de stad Sintra, waarbij deze werd ingedeeld in districten die ook allemaal een eigen parochiekerk kregen. Het huidige Sintra kent nog steeds dezelfde indeling.
In 1287 gaf koning D. Dinis Sintra cadeau aan de heilig verklaarde D. Isabel en liet hij het Moorse paleis in het stadscentrum restaureren. Vanaf die tijd zou Sintra tot 1580 de enige zomerresidentie van het Portugese koningshuis zijn. Na 1580 bleef het een van de meest geliefde verblijfplaatsen van de Portugese koningen tot aan het einde van de monarchie.
Aan het eind van de veertiende en het begin van de vijftiende eeuw liet koning D. João I het Moorse paleis geheel herbouwen en uitbreiden tot een luxueus koninklijk verblijf, het Paço Real.
Vanuit dit paleis vertrok in 1415 de eerste Portugese overzeese expeditie naar Ceuta, in Noord-Afrika. De verovering van deze stad was het begin van Portugals glorierijke periode als wereldrijk.
In 1429 ontving D. João I de Nederlandse schilder Jan van Eyck in het Paço Real. Hij kwam vanuit Lille als een van de ambassadeurs van Filips de Goede, de hertog van Bourgondië. Hij had als opdracht een portret te schilderen van de dochter van D. João I, met wie Filips de Goede later dat jaar zou gaan trouwen. Deze bruiloft vond ook plaats in het paleis.
Later, in het begin van de zestiende eeuw, heeft koning D. Manuel I het paleis nog verder uitgebreid door er een aantal vleugels aan toe laten voegen. Het gerechtshof verbleef regelmatig in het paleis en Sintra was inmiddels uitgegroeid tot een groot sociaal en cultureel centrum, een alternatief voor de hoofdstad Lissabon.
Op een van de hoogste toppen van de Serra de Sintra bevond zich een kleine kapel, gebouwd in een rotsspleet ter ere van van de Maagd Maria (Nossa Senhora da Pena). Koning João I liet hier wekelijks een mis lezen. Ook D. João II en zijn vrouw Leonor bezochten de kapel regelmatig. Toen D. Manuel I in 1503 bij deze kapel was en uitkeek over zee, zag hij de schepen van Vasco da Gama terugkeren uit India. Ter herdenking van deze gebeurtenis liet hij een klooster bouwen voor de broeders van Hiëronymus. Het klooster van Nossa Senhora da Pena (Onze-Lieve-Vrouw van Verdriet), later kortweg Da Pena genoemd, is meer dan driehonderd jaar lang bewoond geweest door de monniken. In deze periode is het klooster meerdere malen zwaar beschadigd geraakt. In 1743 vernietigde een blikseminslag een deel van de toren, de kapel en de sacristie. In 1755 beschadigde een aardbeving het gebouw, en in het begin van de negentiende eeuw verwoestten Franse troepen Manuels klooster nog eens.
Na D. Manuel I bewoonde koning D. João III het Paço Real. Hij werd opgevolgd door D. Sebastião I. De beroemde Portugese dichter Luís de Camões heeft hem in 1572 voorgelezen uit 'Os Lusíadas', zijn beroemdste werk. De koning werd geïnspireerd door de verhalen over verre reizen en vertrok in 1578 op kruistocht tegen de Moren. Deze tocht eindigde echter tragisch in Marokko. In de nederlaag bij Alcácer-Quibir vonden hij en zijn 18.000 soldaten de dood. De overleden koning had geen directe erfgenamen en zo kwam het dat zijn Spaanse oom, koning Filipe I (Filip II voor Spanje) in Portugal aan de macht kwam.


Castelo dos Mouros
Van de burcht die de Moorse bezetters aan het eind van de achtse eeuw op de Serra de Sintra bouwden, zijn de ruïnes nog duidelijk te zien. De burcht is in de loop van de eeuwen nog een aantal keren verbouwd. Na de herovering van Sintra in 1147 liet D. Afonso Henriques de burcht herhaaldelijk aanpassen aan zijn eisen. Daarna is het bouwwerk langzaam in verval geraakt. Toen Ferdinand von Sachsen-Coburg-Gotha in de negentiende eeuw de burcht kocht, heeft hij alles volledig laten restaureren. Het monogram "DFII" (D. Fernando II) dat in de poort is uitgehakt, herinnert hier nog aan.
Het enorme bouwwerk ligt op een bergtop van 450 meter hoogte en bestaat uit een dikke, dubbele ringmuur met vier grote torens. De grootste van de vier is de Torre Real (de Koninklijke Toren). Deze toren is, net als de muren, gekroond met kantelen en biedt een adembenemend uitzicht over de hele stad Sintra en de wijde omgeving, helemaal tot aan de oceaan. Binnen de inmiddels rijkelijk met mos en klimop begroeide muren bevinden zich nog de resten van een kapel en een oud Moors waterreservoir.

Paço Real
Het Paço Real (Koninklijk Paleis) ligt aan het plein midden in het centrum van Vila Velha, het oude stadscentrum van Sintra. De basis van dit paleis stamt nog uit de tijd van de Moren. Het gebouw is in de loop der eeuwen echter zo vaak verbouwd en uitgebreid, dat het inmiddels een mengelmoes van allerlei stijlen vertegenwoordigt en het heel moeilijk is om te bepalen in welke tijd de verschillende elementen hun oorsprong vinden. Vanaf het einde van de achtste tot halverwege de twaalfde eeuw was het paleis in gebruik als residentie van de Moorse gouverneur. In de dertiende eeuw is het paleis nog eens geheel gerestaureerd, maar daarna raakte het weer in verval.
Koning D. João I gebruikte in de veertiende en vijftiende eeuw de fundamenten van het bouwwerk om er zijn zomerresidentie te laten bouwen. Uit deze periode zijn onder andere de ingangsfaçade en de schacht van de fontein die ervoor op het plein staat overgebleven. Deze schacht maakte oorspronkelijk deel uit van een schandpaal.
De voorkant van het paleis heeft een laag bordes, spitse ingangsbogen en vijf in die tijd veel toegepaste dubbele ramen. De Moorse zuilen en bogen zijn in tegenstelling tot wat men aanvankelijk dacht, niet overgebleven uit de tijd van de Moorse overheersing. Dit ontdekte men toen onderzoek had uitgewezen dat de raamlijsten zijn gemaakt van plaatselijke natuursteen, en dat de zuilen en bogen van buitenlands marmer zijn. Het bleek dat in de veertiende eeuw Italiaanse beeldhouwers in serie kapitelen, reliëfs, bogen en zuilen maakten in Moorse stijl om deze vervolgens aan Noord-Afrika te leveren. Na de verovering van enkele Marokkaanse steden waaronder Ceuta, werden ze als buit meegebracht naar Portugal en verwerkt in verschillende paleizen.
Honderd jaar later liet D. Manuel I het paleis naar het noorden en vooral het oosten toe uitbreiden. Hij liet de vensters en portalen versieren met hoefijzerbogen, pinakels, naturalistisch ineengevlochten takken en scheepstouwvormige lijsten die zich overal omheen slingeren, dit alles in de naar hem genoemde, weelderige manuelstijl. Binnen in het paleis liet hij mozaïekvloeren, lambrizeringen, plafonds in mudejarstijl en kostbare, typisch Portugese tegeltjes, azulejos, aanbrengen.
Doordat er veel verschillende architecten en bouwmeesters over een lange periode aan het paleis gewerkt hebben, is het gebouw nooit een samenhangend geheel geworden. De meeste vertrekken liggen bovendien op verschillende niveaus waardoor er veel trappen voorkomen in het interieur.
Van buiten gezien valt het paleis meteen op door de twee enorme, kegelvormige schoorstenen die gebouwd zijn naar Moors voorbeeld. De gigantische keuken die eronder ligt, was nodig om grote feestmalen te kunnen bereiden voor de bewoners en bezoekers van het paleis.
Binnen bevinden zich naast de keuken nog een heleboel andere vertrekken met ieder hun eigen verhaal. Het hoofdvertrek van het door D. Manuel I aangebouwde gedeelte is de Sala dos Brasões of Sala das Armas (de Blazoen- of Wapenzaal). De muren zijn betegeld met wit-blauwe azulejos waarop jachttaferelen staan afgebeeld en het plafond wordt gevormd door een enorme achthoekige koepel. In het midden van deze koepel zijn de wapenschilden van de koning en de prinsen geschilderd. Deze worden omringd door de wapens en blazoenen van 72 vooraanstaande, adellijke families. De twee karakteristieke tweelingvensters met gedraaide spijlen in manuelstijl, kijken uit op de Jardim de Lindaraya (Lindarayatuin).
Het grootste vertrek in het paleis is de Sala dos Cisnes (Zaal der Zwanen) die boven de gotische hal van de hoofdgevel ligt. Een lange rij vensters verlicht de zaal waarin een lambrizering van azulejos is aangebracht. Deze tegeltjes vormen tevens de omlijsting van de vensters, de deuren en de schoorsteen. De schoorsteen zelf is donkergroen met wit betegeld in een diagonaal ruitpatroon. Op het gedeeltelijk vergulde, houten plafond zijn 27 witte zwanen afgebeeld die allen een gouden kroon om hun hals dragen. Het is niet zeker wat de betekenis is van deze schildering, maar de legende vertelt dat keizer Karel V zilveren zwanen zond aan D. Manuel I als geschenk voor in de tuinvijvers. Het waren tovervogels met grote witte vleugels en een treurige blik. Uit dank voor het geschenk zou D. Manuel I de zwanen op het plafond hebben laten schilderen. De schildering zou echter ook een herinnering aan de veertiende-eeuwse romanserie 'De Zwanenridder' kunnen zijn, die destijds graag gelezen lectuur was. Tegen dit vertrek aan ligt de Sala de D. Sebastião, het terras waarop Luís de Camões zijn 'Lusíadas' heeft voorgelezen aan koning Sebastião I.
De Sala das Pegas (De Eksterzaal) is versierd met een grote luchter van Muranoglas en een marmeren schoorsteen uit 1515. Het gewelfde, houten plafond is bedekt met een afbeelding van 136 eksters. Elke vogel draagt een lint in de snavel met de tekst "por bem", wat zoveel betekent als "goed bedoeld" of "in ere". Deze afbeelding zou geschilderd zijn in opdracht van koning João I die betrapt werd toen hij een hofdame een zoen gaf. Het verhaal verspreidde zich razendsnel onder de 136 roddelende hofdames en daarom liet hij hen symbolisch op het plafond schilderen met in hun mond de verklaring voor zijn daad: de zoen was "goed bedoeld" en "in ere" gegeven.
De Sala de D. Afonso VI is vernoemd naar de vorst die hier negen jaar lang gevangen werd gehouden. Toen deze koning op zijn dertiende op de troon kwam, was hij half verlamd, zwakzinnig en sexueel ontregeld. De feitelijke macht lag dus uiteindelijk bij zijn moeder. Het was niet gelukt deze koning, die zich vooral aangetrokken voelde tot zwervers en het lagere volk, enige opvoeding bij te brengen. Als zijn minnaar, een Italiaan, niet aanwezig was, werd de koning zo woedend dat zijn moeder uiteindelijk maar besloot de man op te nemen in de regering. Hij bleek echter een nogal buitensporige ambitie aan de dag te leggen en werd gevangen genomen. Er volgden allerlei intriges en uiteindelijk trouwde de koning met een Française, maar dit liep ook niet zo af als gewenst. De vorst werd in 1669 verbannen naar de Azoren en in 1674 door zijn broer Pedro opgesloten in het Paço Real in Sintra. In 1683 overleed hij in zijn kamer, waar de weggesleten glazuurlaag van de vloertegeltjes nog getuigt van zijn onophoudelijk ijsberen door het vertrek.
De Patio Central bestaat uit een kleine hal met drie gepunte bogen en een binnenplaatsje waar zich een fontein en de badkuip van de koning in manuelstijl bevindt. Het halletje dat toegang geeft tot de patio is van onder tot boven bekleed met azulejos.

Palácio da Pena
In 1840 besloot Ferdinand von Sachsen-Coburg-Gotha een romantisch paleis te laten bouwen op de plaats van het oude klooster van Nossa Senhora da Pena. Ferdinand, die in Portugal beter bekend was als D. Fernando II, gaf de Duitse architect baron Wilhelm Freiherr von Eschwege opdracht dit plan te realiseren en daarbij de oude kruisgang en kapel van het zestiende-eeuwse klooster te behouden en op te nemen in het paleis.
![]() |
![]() |
![]() |

Parque da Pena
Rondom het Palácio da Pena heeft D. Fernando II een parktuin van ongeveer tweehonderd hectare aan laten leggen. Dit gebied is voor het grootste gedeelte gevuld met een schaduwrijk bos van hoge loof- en naaldbomen. Het park bevat een uitgebreide verzameling inheemse en uitheems bomen en planten, die allemaal door elkaar groeien. In totaal gaat het om meer dan 3000 soorten van over de hele wereld, waaronder olmen, eucalyptusbomen, kastanjes, azalea's en rhododendrons. Door het milde klimaat en de vruchtbare bodem van Sintra gedijen deze planten er bijzonder goed.
Het is duidelijk te zien dat het park erg zorgvuldig en gedetailleerd is vormgegeven. De manier waarop de bomen zijn gegroepeerd, de paden door de begroeiing kronkelen en meertjes zijn aangelegd, duidt er op dat alle inrichtingselementen weloverwogen en nauwkeurig geplaatst zijn. D. Fernando II heeft om zijn paleis een bijna oneindige aaneenschakeling van prachtige uitzichten laten aanleggen.
In het park zijn allerlei kleinere subtuinen te vinden. Zo liggen tussen de bomen verscholen onder andere het vijverdal, de cameliatuin, de vogeltjesfontein omgeven door Braziliaanse araucariaconiferen, de schelpenvijver, het dennenbos, de patrijzenbeek en het varendal waar boomvarens groeien die wel vijf meter hoog zijn.
Tussen het gebladerte komt men ook talloze rots- en waterpartijen tegen. Op een hoge rots vlakbij het paleis heeft baron Von Eschwege een groot stenen beeld van zichzelf neer laten zetten. Hij stelt een middeleeuwse ruiter voor, compleet met lans, en op de sokkel is het wapen van de baron gegraveerd.
Er staan nog heel wat andere vreemde bouwwerken over het park verspreid. Verschillende belvédères bieden een scala aan uitzichten over de verschillende gedeeltes van het park. Op de Alto de Santa Catarina, een hoog gelegen en vrij moeilijk toegankelijk deel van het park, ligt een paviljoen met een kapel ter ere van Sint Anthonius.
In 1870, een jaar nadat hij met zijn tweede vrouw, de gravin van Edla trouwde, heeft D. Fernando II het Chalet da Condessa (Chalet van de Gravin) laten bouwen. Dit gebouwtje was bedoeld als tuinhuis voor zijn nieuwe echtgenote en is versierd met namaak bomen van hout en kurk. De muren binnen in het chalet zijn fijn gepleisterd.
Op de hoogste top van de Serra de Sintra, Cruz Alta, staat een oud kruis dat dateert uit 1522. De top van het kruis bevindt zich op 540 meter hoogte, de berg zelf is op deze plaats 529 meter hoog.

Palácio de Monserrate
Het Palácio de Monserrate is gebouwd op de grond van de Quinta de Monserrate. Dit landgoed behoorde in het begin van de achtiende eeuw toe aan een Indiase onderkoning. Het eerste huis dat er stond werd in 1755 vernietigd door een aardbeving. De rijke koopman Gerard Devisme uit Lissabon pachtte het landgoed destijds van de Indiase familie De Melo e Castro. Hij bouwde op de plaats van het ingestortte landhuis een neogotisch paleis. De Engelse auteur William Beckford huurde er in 1794 enkele kamers en hij liet het gebouw renoveren.
In 1856 kocht de Engelsman Francis Cook, die later burggraaf van Monserrate zou worden, het inmiddels verlaten landgoed. Hij bouwde het paleis weer helemaal op naar een ontwerp van James Knowles jr. Het is een van de interessantste voorbeelden van de Romantiek in Sintra. Met zijn grote ronde toren, bolle koepels en exotische decoraties heeft het gebouw iets weg van de Engelse romantische architectuur. Het bestaat uit elementen die doen denken aan Chinese pagodes, Romeinse graftombes en Moorse paleizen. De naam Monserrate is afkomstige van de zestiende-eeuwse kapel die gewijd was aan de Moeder Gods van Montserrat in Catalonië.
In 1946 kocht Saul Sarraga het intussen weer vervallen paleis met omliggend park. Hij haalde het gebouw helemaal leeg en verkocht de complete inboedel. Daarna mocht de Portugese staat het leeggeroofde paleis met park overnemen voor negen miljoen escudo's, tegenwoordig ongeveer honderdduizend gulden.
Op vandaag is het paleis niet meer in gebruik en het is ook niet toegankelijk voor bezoekers. De organisatie Vrienden van Monserrate probeert het ernstig verwaarloosde gebouw en de tuinen in oude glorie te herstellen.
Parque de Monserrate
De tuinen die om het Palácio de Monserrate liggen werden aan het eind van de achtiende eeuw aangelegd door de excentrieke William Beckford, die daar destijds woonde. Ze waren ooit meer dan 140 hectare groot, maar tegenwoordig is daar nog slechts zo'n dertig hectare van overgebleven.
Toen James Cook het landgoed kocht, liet hij de tuinen aapassen aan zijn wensen naar een ontwerp van William Stockdale. Hij liet onder andere een groot grasveld, camelia's en subtropische bomen zoals de kurkeik en de aardbeiboom aanplanten. Deze laatste boom is in Portugal vooral bekend omdat men van zijn sappige, rode bessen een sterke drank, medronho, distilleert. De eucalyptusbomen die in de tuin staan, stammen allemaal af van de eerste boom van deze soort die naar Portugal werd gehaald. Ook komen er veel zeldzame boomsoorten voor in het park. Alleen al aan palmbomen staan er meer dan twintig variëteiten en bij de ingang van het park staan cipressen uit Buçaco waar vandaan paden door de hele tuin voeren.
Tegenwoordig is deze botanische tuin verwaarloosd en onderkomen. Hij is veranderd in een oerwoud van exotische bomen en bloeiende struiken. Een oude kapel die er staat is helemaal overwoekerd door een enorme vijgenboom. Verder staan er verspreid tussen het groen een aantal fonteinen en standbeelden. In het park liggen bovendien nog twee Etruskische graven.
Op het terrein van deze exotische landschapstuin waar vroeger de adel en bourgeoisie uit Lissabon hun vrije tijd doorbrachten, bevinden zich van oorsprong ook talloze landgoederen die tegenwoordig in gebruik zijn als hotel. Veel van deze oude landhuizen zijn omringd door een prachtige, eigen tuin.

Palácio de Seteais
Het Palácio de Seteais werd in 1787 gebouwd in opdracht van Daniël Gildemeester, een diamanthandelaar en destijds de Nederlandse consul in Portugal. Architect José da Costa e Silva ontwierp het hele paleis in de stijl van het neopalladianisme.
Het paleis kreeg zijn huidige vorm pas in de beginjaren van de negentiende eeuw, na de uitbreiding door de tweede bezitter. De vijfde markies van Marialva, D. Diogo José Vito de Meneses Noronha Coutinho, liet een oostelijke vleugel aanbouwen en plaatste in 1802 een majestueuze triomfboog ter herinnering aan het bezoek van D. João VI en D. Carlota Joaquina.
Zijn bekendheid dankt het Palácio de Seteais aan de luxe feesten die er vaak werden gegeven. Soms waren daarbij zelfs de leden van het koningshuis aanwezig.
Het interieur van dit stijlvolle, neoclassicistische gebouw heeft door de vele restauraties veel veranderingen ondergaan. Binnen is er een grote salon. Op de muur van dit vertrek is een fresco met een mythologisch thema aangebracht door de School van Pillement.
De naam 'Palácio de Seteais' (sete ais) betekent in het Nederlands: 'Paleis der Zeven Zuchten'. Deze naam heeft het gebouw te danken aan de overeenkomst die de Fransen en de Engelsen er op dertig augustus 1808 tekenden. Deze overeenkomst garandeerde de Franse bezetters van Napoleon een vrije aftocht, tot groot ongenoegen van de Portugezen. De Fransen trokken weg en de Portugezen bleven zuchtend achter.
In 1955 kochten de huidige eigenaars het paleis. Ze bouwden het om tot een luxe en peperduur hotel waarvan het terras en de ramen aan de noordzijde een prachtig uitzicht bieden.
Quinta da Penha Verde
De Quinta da Penha Verde (Landgoed van de Groene Rots) is een van de mooiste landgoederen van Sintra. De zestiende-eeuwse villa werd gebouwd in opdracht van D. João de Castro, dertiende gouverneur en vierde vice-koning van India. Deze man plantte op zijn quinta de allereerste sinaasappelbomen van Portugal, volgens sommigen zelfs de eerste van heel Europa.
In de terrasvormig aangelegde tuin liet hij in 1542 door de architect van zijn huis, Miguel de Arruda, een Mariakapelletje bouwen. Deze ronde bedevaartkapel van Nossa Senhora da Monte (Onze-Lieve-Vrouw van de Berg) is gebouwd in de Italiaanse renaissancestijl. De halve koepel ervan rust op zes zuiltjes met gebeeldhouwde kapitelen en de muren zijn met zeventiende-eeuwse azulejos bekleed. In de altaarnis bevindt zich in een zwarte omlijsting een wit marmerreliëf met de afbeelding van de heilige familie. Aan beide kanten van de trap die naar het kerkplein leidt, staan stenen oosterse zuilen met een tekst in het Sanskriet. Vlakbij de kapel bevindt zich een vervallen rij arcaden. Ernaast, onder een Turkse grafsteen, ligt het lichaam van de stichter van de quinta.

Convento de Santa Cruz dos Capuchos
Het Convento de Santa Cruz dos Capuchos werd in 1560 gesticht door D. Alvaro de Castro. Zijn vader, D. João de Castro, die de Quinta da Penha Verde bezat, had hierom in zijn testament gevraagd.
De poverheid die in het kapucijnenklooster heerst, staat in schril contrast met de luxe en weelde van de paleizen in Sintra. Twee enorme keien vormen de ingang van het klooster. Via een in de rotsen uitgehakte trap zijn de wooncellen van de monniken te bereiken. Deze ruimtes zijn uitgehouwen in de rotsen en bekleed met kurk tegen het binnendringende vocht. Het klooster wordt daarom ook wel het Convento da Cortiça, het kurkklooster, genoemd. De monniken moesten knielen als ze in hun cellen verbleven, want deze zijn zo laag dat ze er niet rechtop in konden staan. De raampjes in de cellen zijn niet meer dan een smalle nis.
Het gewelf van de kloosterkapel is, net als de cellen, volledig uit de rotsen gehakt. Op de muren zijn vaag nog wat restanten van zeventiende-eeuwse fresco's te onderscheiden die zijn gemaakt door André Reinoso. Het altaar is bijzonder mooi ingelegd en de gevel is bekleed met achtiende-eeuwse azulejos. Daarmee is dan ook alle luxe genoemd. Verder is het klooster een toonbeeld van armoede en nederigheid. Zelfs de tafel in de refter is eigenlijk maar een grote steen.
De Heilige Onório (Honorius) leefde 36 jaar lang in de eenzaamheid van de berg. Hij stierf in 1595, op bijna honderdjarige leeftijd, in een spelonk vlakbij het klooster. Ter herdenking is er een stenen kruisbeeld met inscriptie voor hem geplaatst.
Sinds 1834 is het klooster niet meer in gebruik. De Portugese staat heeft het geseculariseerd toen de religieuze orden werden opgeheven.

UNESCO Werelderfgoed
Het landschap in en rondom Sintra en alle historische erfgoederen die in dit gebied liggen, zijn zonder twijfel van onschatbare culturele waarde. Maar zelden vindt men zo dicht bij elkaar zoveel wondermooie en goed bewaard gebleven overblijfselen uit alle tijden van de geschiedenis. Bij al deze monumenten vormen het adembenemende landschap van de Serra de Sintra en de vele tuinen en parken die in de loop van de eeuwen zijn aangelegd, een sprookjesachtig decor.
Op zes december 1995 bekroonde UNESCO Sintra en haar omgeving met de titel "Werelderfgoed". De officiële naam waaronder het gebied op de Werelderfgoedlijst is opgenomen luidt: 'The Cultural Landscape of Sintra'. Het stadje was hiermee het eerste Europese culturele landschap in de waardevolle lijst van historische, culturele en natuurlijke erfgoederen.
Het gebied is opgenomen op basis van een aantal redenen. Een van de belangrijkste is dat Sintra en haar omgeving model staan voor een hele nieuwe benadering van de vormgeving van romantische landschappen Bovendien vormen de natuur en architectuur in en rondom het stadje een uitgebreide vertegenwoordiging van de geschiedenis van het gebied en de volkeren die er leefden.
Het is van groot belang dat dit waardevolle Werelderfgoed goed wordt beschermd en onderhouden. Er zijn allerlei stichtingen en verenigingen actief in Portugal die ijveren voor het behoud van de vele monumenten en het natuurschoon. Zij geven bijvoorbeeld voorlichting en zetten zich in bij restauratiewerkzaamheden.
Sinds Sintra door UNESCO op de Werelderfgoedlijst is opgenomen, krijgt het gebied ook de internationale waardering die het verdient. Dit is erg belangrijk, want alleen als het Werelderfgoed door de mens op waarde wordt geschat, zal het bewaard kunnen blijven voor toekomstige generaties.

Geraadpleegde bronnen
WWW-pagina's